Trouwplannen met Vincent

Gepubliceerd op 26 april 2020 om 19:24

In brieven aan Theo schreeuwt Vincent zijn trouwbelofte aan Sien meermaals uit.

 

Een bloemlezing uit één enkele brief (bovengenoemde brief VvG 227, 14 of 15 mei 1882):

 

"Ik begon het – doch niet direkt met de gedachte aan trouwen – evenwel toen ik haar beter leerde kennen was ’t mij duidelijk dat wilde ik haar helpen ik het serieuser moest aanpakken. Ik heb toen ronduit met haar gesproken en gezegd, zoo en zoo denk ik over dit en dat, zoo en zoo zie ik Uw positie en de mijne. Ik ben arm – maar ik ben geen verleider, zoudt gij het met mij kunnen vinden of niet – anders houdt alles op. Toen zei ze, ik wil met U blijven al zijt ge nog zoo arm. En nu is het dus alzoo gekomen tot hiertoe.

En nu gaat zij binnen kort naar Leiden en ik zou haar graag direkt daarna zonder eenigen omhaal trouwen. Omdat er anders iets scheefs in haar positie is en in de mijne, ’t geen ik zeer gedecideerd wil vermijden.

[...]

Ik geloof nu Theo, dat ik mijne familie geen schande aandoe door ’t geen ik deed – en ik wenschte dat mijn familie er vrede mee nam. Anders staan wij over elkaar en zeg ik op mijn beurt: ik wil geen vrouw verlaten, ter wille van wie dan ook, aan welke ik verbonden ben door een band die wederzijdsche hulp en achting hebben gehecht.

Ik neem vrede met haar verleden en zij neemt vrede met mijn verleden. Indien mijne familie mij uit stiet om reden ik eene vrouw verleid had zou ik als een schobbejak mij gevoelen indien ik zulks werkelijk gedaan hadde doch indien ik zou worden gecontrarieerd omdat ik trouw blijf aan eene vrouw die ik trouw beloofd heb zou ik mijne familie verachten. Niet ieder is geschikt voor schildersvrouw – zij is willig, zij leert met den dag. Eigenaardigheden in haar karakter die anderen hebben afgestooten begrijp ik. Doch H.G.T. zou al ligt van haar denken wat hij van mij denkt en zeggen... zij is een onaangenaam karakter en heeft iets onbehagelijks, en daar bij blijven.

Nu spreekt het echter vanzelf dat ik genoeg wereld- & menschenkennis heb om niet meer te verlangen dan dat men mij in ’t trouwen niet contrarieere – en ik hoop dat het dagelijksch brood mij niet ontbreken zal zoolang ik toon dat ik mijn best doe op mijn werk en doorsabel om een flink schilder of misschien alleen teekenaar te worden. Maar ik zal noch alleen noch met haar bij mijn familie aan huis komen of iets dergelijks, doch blijven in den kring die mijn werk van zelf aanwijst. En dan is er niemand die aanstoot heeft tenzij kwaadwilligen een steen des aanstoots expres zouden willen zoeken, ’t welk hoop ik niet het geval zijn zal.

Gij zult mij echter zeer inschikkelijk vinden in al wat ik zonder Christien ontrouw te worden doen kan. Regt gaarne wil ik hooren wat gij mij raden zoudt b.v. ten opzigte van woonplaats of iets dergelijks. Is er bezwaar ik in den Haag blijf, ik ben aan den Haag geen trouw verpligt. En ik kan mij een werkkring scheppen waar gij maar goedvindt. ’t zij in een dorp ’t zij in eene stad. De figuren & het landschap welke voor mijn neus komen zal ik wel altijd interessant genoeg vinden om er mijn best op te doen, zoodat gij gerust hierover spreken kunt. Doch ’t spreekt van zelf zulks niet een soort van curateele moet zijn, daaromtrent heb ik mijn gevoelen duidelijk genoeg gezegd bij de affaire Gheel zooiets ware zeer hors de saison. Doch de zaak van trouw of ontrouw aan Christien is eene kwestie waartegenover ik gevoel “ik mag geen trouwbelofte breken”.

[...]

Nu zegt gij dat gij tusschen Xn en mij niet vindt wat noodig maakt dat ik haar zou moeten trouwen. Ziehier hoe en Xn en ik daarover denken: wij verlangen beiden een zeer huiselijk leven digt bij elkaar en hebben elkaar dagelijksch bij ’t werk noodig en zijn dagelijks bij elkaar. Wij verlangen er niets scheefs in de positie zij, en vinden ’t trouwen ’t eenige radicale middel om de wereld tot zwijgen te brengen en te zorgen dat men ons niet het [xxxxx] verwijt doe in ongeoorloofde verbindtenis te [leven]. Als wij niet trouwden kon men iets zeggen van, dit of dat is eigentlijk scheef – als wij trouwen zijn wij zeer arm en laten alle pretentie op stand daar doch onze daad is regt en eerlijk. Mij dunkt gij zult dit begrijpen. Zegt ge nu – Vincent gij zult het bar hebben en die zorgen zullen U wel eens vreesselijk zijn dan antwoord ik, ja broer, ik weet dat zeer wel, daar hebt ge gelijk in, doch, kerel, ’t geen ik nog erger zou vinden dan dat ware het gevoel van binnen: “gij hebt die vrouw welke gij in den winter zwanger en ziek ontmoette verraderlijk in den steek gelaten en wederom teruggestooten op die onbarmhartige straatsteenen”. Dat zal van mij niet gezegd worden en gij zult nu wel zien dat het geen “doordrijverij” of “baldadig mijn zin willen hebben” van me is doch dat ik sta tegenover Xtien en dat ik haar trouw beloofd heb & trouw houden zal.

[...]

Ik kan ofschoon ’t mij boven ’t hoofd hangt niet anders zeggen dan: ik heb Xn trouw beloofd en zij heeft mij trouw beloofd dus komt het niet in ons op die trouw te breken.

Doch – bliksem – hoe heb ik het nu – en in welken tijd leven we – wordt toch wakker Theo! – laat U niet overdonderen of influenceeren door jesuitismes – verdien ik dat gij mij in den steek zoudt laten omdat ik eene zwangere vrouw heb geholpen en haar niet weer op nieuw de straat wil op sturen. Wij hebben elkaar trouw beloofd, mogen wij dat niet doen. Staat daar de dood op???"

 

Na het lezen hiervan, mag duidelijk zijn dat het Vincent en Sien menens was. In hoeverre ze hun voornemens ooit hebben doorgezet, valt helaas niet te achterhalen. Beide families waren fel gekant tegen de verhouding. Wat we er nu nog over weten, is gebaseerd op de selectie van Vincents brieven die zijn erfgenamen hebben vrijgegeven. Dit doet de vraag rijzen of sommige brieven werden achtergehouden.

 

Zo ja, waarom heeft men dan bepaalde compromitterende inhoud wel vrijgeven? Misschien om inclusiviteit en objectiviteit te laten uitschijnen. De omvangrijke verzameling vrijgegeven brieven (meer dan 900!) wekt alleszins de illusie van volledigheid. Misschien om andere informatie in diezelfde brieven naar voren te brengen. Bovengenoemde brief 227 staat dan wel bol van Vincents vastberadenheid inzake eeuwige trouw aan Sien, maar vermeldt tegelijk:

 

"Nu heb ik Xtien [Sien, red.] ontmoet, zooals gij weet zwanger, ziek, in de kou – ik was alleen – ik had pas ondervonden te Amsterdam wat ik U schreef.–"

 

Dit beklemtoont dat Sien zwanger was toen Vincent haar leerde kennen. Het ontneemt daardoor alle twijfels over Vincents vaderschap van Willem. Wat mogelijk verklaart waarom de brief door Vincents erfgenamen wel werd vrijgegeven, ondanks een vurige liefdesverklaring van Vincent aan het adres van een straathoer.

 

Uittreksel uit brief VvG 227, 14 of 15 mei 1882, http://vangoghletters.org/vg/letters/let227/letter.html, geraadpleegd op 27/04/2020.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.